De begroeiingen in Thijsse’s Hof

In Thijsse’s Hof kunt u kennis maken met de belangrijkste begroeiingen uit de duinen van Kennemerland zoals duinbos, duinstruweel, duingrasland en begroeiingen van natte duinvalleien. De diverse begroeiingen staan op de kaart met een lettercode aangegeven.

 

 

B - Het duinbos

H - Duinstruweel en hakhout

Gd - Het droge duingrasland

Gr - Duinrooshelling

Gs - Schraal grasland met heide

D - Het duintje

V - Vijver

M - Moeras en duinvalleivegetatie

S - Demonstratiestrook

L - Milieus bij het instructielokaal

A - Onkruidakker

Demonstratievijver met moerasjes

Muurbegroeiingen

 

B - Het duinbos 

Het duinbos is grotendeels ontstaan uit eikenhakhout dat daar groeide voor Thijsse’s Hof werd aangelegd. Een deel van de eikenstammetjes is na 85 jaar tot hoge bomen opgegroeid. Door periodiek bomen en struiken te kappen wordt voorkomen dat een te dichte boom- en struiklaag ontstaat. Daardoor is een gevarieerde en soortenrijke kruidlaag tot ontwikkeling gekomen. Ook groeien er veel meer soorten bomen en struiken dan vroeger. Helaas is de iep ten gevolge van de iepenziekte vrijwel uit de Hof verdwenen. Al in de winter komen allerlei soorten in bloei zoals sneeuwklokje, lenteklokje, winterakoniet en hazelaar. De mooiste tijd voor het duinbos zijn de maanden april en mei. Het is dan een bloemenweelde van onder meer bosanemoon, vingerhelmbloem, diverse soorten sleutelbloem, wilde hyacint en voorjaarszonnebloem. Dat is ook de beste tijd om allerlei zangvogels te beluisteren die in de Hof broeden zoals vink, tjiftjaf, merel, zanglijster en diverse mezensoorten. Na mei neemt de bloemenrijkdom af. Het bos wordt dan donkerder door de toenemende beschaduwing door de bomen. Terug naar index.

 

H - Duinstruweel en hakhout 

Struweel is een begroeiing waarin struiken domineren. Kardinaalsmuts, eenstijlige meidoorn, duindoorn, wegedoorn en zuurbes zijn karakteristieke soorten van de duinstruwelen op kalkrijke bodem. Het zijn besdragende struiken die in het najaar veel vogels aantrekken en zodoende door vogels verspreid worden. In vroeger tijd was er veel struweel in de Hof en kwamen struweelvogels regelmatig tot broeden, o.a. fitis, grasmus, braamsluiper en nachtegaal. Geleidelijk aan is de oppervlakte struweel afgenomen doordat het bos zich uitbreidde. Na de andere struweelvogels verdween in 1993 ook de fitis als broedvogel uit de Hof. Sinds 1997 wordt het struweel weer uitgebreid door boomopslag te kappen. In 1999 en 2000 broedde er weer een enkel paartje fitissen. In het hakhout worden bomen periodiek gekapt voordat ze groot worden en teveel schaduw geven. Daardoor is een rijke ondergroei met veel struiken mogelijk. Terug naar index.

 

Gd - Het droge duingrasland 

‘Droog’ betekent dat het grasland boven de grondwaterinvloed is gelegen. Dit in tegenstelling tot het natte grasland dat een onderdeel is van de duinvalleibegroeiingen. Die hebben de nabijheid van het grondwater nodig voor hun vochtvoorziening. Het droge duingrasland heeft daarvoor alleen aan regen genoeg. Tijdens langdurige zomerdroogte kan het droge duingrasland door vochtgebrek bovengronds grotendeels afsterven en het ziet er dan dor uit. Maar de graslandplanten kunnen daar wel tegen en blijven ondergronds in leven. Het droge grasland is op zijn mooist in mei en juni wanneer er althans voldoende neerslag valt. Opvallende soorten zijn onder meer beemdkroon, knoopkruid, gewone ereprijs, margriet, steenanjer en kleine pimpernel. Er groeien ook fraaie grassen zoals bevertjes, zachte haver en glanshaver. Vroeg in het voorjaar vallen de bleekrose stengels met sporenaren van heermoes op. Pas later verschijnen de groene vertakte stengels zonder sporenaren. Al het grasland in de Hof wordt jaarlijks gemaaid, eenmaal of tweemaal hetgeen afhankelijk is van de voedselrijkdom en de productie van het grasland. Als er niet gemaaid zou worden, zal het grasland zich via ruigte en struikgewas tot bos ontwikkelen. Het maaisel wordt afgevoerd. Terug naar index.

 

Gr - Duinrooshelling 

De begroeiing van de duinrooshelling lijkt sterk op het droge duingrasland. In feite is het droog duingrasland met veel duinroosjes. In vroeger tijd was een deel van de helling dicht met duinroosjes begroeid. Toen grassoorten gingen toenemen en de roosjes achteruitgingen, werd de helling diverse malen omgespit en opnieuw met duinroosjes ingeplant. Deze maatregel leverde uiteindelijk niet het gewenste effect. Een beheer als duingrasland (met jaarlijks maaien) waarbij de roosjes uitgespaard of minder vaak gemaaid werden, voldeed beter. Duinroosjes hebben zich spontaan ook uitgezaaid in het droge duingrasland buiten de duinrooshelling. Op de duinrooshelling groeien nog enkele bijzondere soorten, namelijk blauwe bremraap, een parasiet die op duizendblad woekert, en het orchideetje hondskruid. Verder groeit er veel geel zonneroosje, een zeldzame soort die in ons duingebied is uitgestorven maar o.a. in België nog wel in de duinen groeit. Terug naar index.

 

Gs - Schraal grasland met heide 

In de periode 1960 – 1972 werd op deze oppervlakte duinheide aangelegd. Droog duingrasland werd daartoe afgeplagd en heideplaggen kwamen ervoor in de plaats. Het bleek al gauw dat het milieu wat te voedsel- en kalkrijk was voor heide. Die ging daardoor vergrassen. Door activiteiten van bodemorganismen werd de kalkrijkere ondergrond door de zure heidehumus gemengd. Daardoor ging het organische materiaal versneld mineraliseren waarbij voedingsstoffen vrijkwamen. Ook kwam tussen de heide veel bladval uit de omgeving terecht dat niet afgeharkt kon worden. Dat levert ook voedingsstoffen. Na verloop van jaren werd besloten om de sterk vergraste heide jaarlijks te maaien en daarbij enkele gedeelten met nog vitale dichte heide uit te sparen. Dat heeft tot het huidige schrale (= voedselarme) grasland geleid waarin nog steeds stukjes heide aanwezig zijn. Daarin groeien ook brem, gaspeldoorn en jeneverbes. Het schrale grasland heeft een wat andere soortensamenstelling dan het droge duingrasland elders in de Hof. Door de vroeger aangevoerde heiplaggen is de bodem minder kalkrijk. We zien er dan ook geen fakkelgras groeien, maar wel bochtig smele, zandstruisgras en enkele havikskruiden die kenmerkend zijn voor kalkarme bodem. Terug naar index.

 

D - Het duintje 

Tegelijk met de nieuwe duinvallei (zie ‘Begroeiingen van natte duinvalleien’) werd in 1989 het duintje aangelegd waarbij ook kalkrijk duinzand van elders werd aangevoerd. Hier ontstonden weer begroeiingen zoals die in de begintijd van de Hof voorkwamen met veel slangenkruid, ossentong, wilde reseda en diverse soorten toorts en teunisbloem. Geleidelijk aan ontwikkelde zich duingrasland waardoor voornoemde soorten afnamen. Het duintje bleek een geschikt milieu te zijn voor hondskruid, een zeer zeldzame orchideeënsoort. In het duingrasland groeit veel smal fakkelgras. Vooral in de avondschemering doet deze soort zijn naam eer aan met zijn lichtgekleurde bloeipluimen. De vos heeft ook het duintje ontdekt als een goede plek om holen te graven. De hovenier probeert dit te verhinderen omdat de Hof eigenlijk te klein en te kwetsbaar is voor dit fraaie zoogdier. Terug naar index.

 

V - Vijver 

Een beeldbepalend onderdeel van Thijsse’s Hof is de grote vijver met in het voorjaar de grote gele pol van bloeiende moeraswolfsmelk langs de oever. De waterstand schommelt met de seizoenen en is hoog in winter – vroege voorjaar en laag in de zomer. In het verleden traden door waterwinning in de omgeving zeer lage waterstanden op waarbij de vijver diverse malen ’s zomers geheel droogviel. Door beëindiging van de waterwinning hebben we gelukkig nu weer normale waterstanden. Daardoor kon de plantengroei langs de oevers zich goed herstellen. De vijver trekt veel vogels aan. Er broedt regelmatig een meerkoet en soms een wilde eend. Maar de meeste vogels komen er om te drinken en soms om te eten. Maar meer dan driedoornige stekelbaarzen en waterinsecten zijn er niet te vangen, dus visetende vogels vliegen meestal weer gauw door. In de vijver planten zich veel libellen voort. In het water groeien enkele waterplanten, vooral aarvederkruid en lidsteng die beide boven water bloeien. Terug naar index.

 

M - Moeras en duinvalleivegetatie 

De begroeiingen van natte kalkrijke duinvalleien zijn beroemd om hun soortenrijke plantengroei. Na de aanleg van de Hof groeide langs de vijver een pioniervegetatie met onder meer parnassia en diverse soorten duizendguldenkruid. Geleidelijk ontwikkelde zich een orchideeënrijk grasland. Vooral in de jaren ’70 zijn deze begroeiingen sterk achteruitgegaan ten gevolge van verdroging door de zeer lage grondwaterstanden als gevolg van de waterwinning in de omgeving. Duinvalleivegetaties zijn namelijk gebonden aan de invloedssfeer van het grondwater. Maar nu de grondwaterstanden weer normaal zijn, hebben de duinvalleibegroeiingen zich goed kunnen herstellen. Rietorchis is er de talrijkste orchideeënsoort. Aan de westzijde van de vijver is in 1989 een nieuwe duinvallei aangelegd. Door het pad te verlagen en een brug te maken, kan iedereen de begroeiingen goed zien. Vlak naast de brug groeit galigaan. De bladranden zijn dicht bezet met scherpe zaagtandjes. Door de aanleg van flauwe taluds is er een geleidelijke overgang van duinvalleivegetaties naar het droge duingrasland. In beide begroeiingen groeit veel grote ratelaar. Evenals het droge duingrasland worden ook de duivalleibegroeiingen jaarlijks gemaaid om ze in goede staat te houden en te verhinderen dat ze op den duur in bos overgaan. Terug naar index.

 

S - Demonstratiestrook 

In de demonstratiestrook groeien voornamelijk plantensoorten waarvoor in de Hof geen natuurlijk milieu (meer) aanwezig is. Hier worden soorten gekweekt op de manier waarop we dat gewoonlijk in een border doen. Ongewenste soorten (o.a. grassen) worden weggewied en gewenste soorten worden uitgezaaid of aangeplant. Naast allerlei wilde soorten groeien er ook oude cultuurplanten, o.a. medicinale planten en verfstofplanten zoals wede. Een deel van de demonstratiestrook is in gebruik voor tweejarige soorten zoals slangenkruid en diverse soorten teunisbloem en toorts. Vroeger, toen grote delen van de Hof schaars begroeid waren, kwamen deze soorten veel voor. Maar toen het duingrasland zich ontwikkelde, namen ze af en verdwenen. Terug naar index.

 

Milieus bij het instructielokaal (L) 

 

A - Onkruidakker 

In de onkruidakker kunnen we kennismaken met akkeronkruiden die vroeger onze graanakkers sierden zoals grote en kleine klaproos, korenbloem en bolderik. Het zijn soorten die oorspronkelijk niet in ons land voorkwamen, maar hier pas zijn gaan groeien met de introductie van de akkerbouw. Evenals van granen ligt hun oorsprong in Zuidwest-Azië en het mediterrane gebied. De akker wordt jaarlijks in het najaar gespit en met rogge ingezaaid. Daarnaast is ook in de regel boekweit aanwezig. Dat is geen graangewas maar behoort tot de duizendknoopfamilie. Behalve voornoemde onkruiden groeien in de onkruidakker ook meestal groot spiegelklokje, herik, knopherik, ruw parelzaad en naaldenkervel. Terug naar index.

 

Tussen de onkruidakker (A) en het instructielokaal (L) liggen de demonstratievijver met moerasjes en de muurbegroeiingen

 

Demonstratievijver met moerasjes 

Vanaf het verdiepte pad is het waterleven in de kleine vijver goed te observeren zoals kleine watersalamanders en ruggezwemmers of bootsmannetjes. Een van de meest opvallende planten is krabbescheer. Ook libellen zijn hier goed te bekijken. Deze vijver heeft een ondoorlatende bodem en wordt tijdens droogteperioden regelmatig bijgevuld. Daardoor zijn de schommelingen in waterstand kleiner dan in de grote vijver. Daardoor kunnen in het aangrenzende moerasje duinvalleisoorten groeien die langs de grote vijver geen geschikt milieu hebben zoals moeraswespenorchis, muggenorchis en bonte paardenstaart. Terug naar index.

 

Muurbegroeiingen 

Op een paar plekken zijn muren gemaakt ten behoeve van muurplanten, soorten die in Nederland uitsluitend of voornamelijk op muren groeien. Hier kunnen we onder meer zien: tongvaren, steenbreekvaren, muurleeuwenbek en muurbloem. Terug naar index.